Exodus 13: 17-22 | Betekenis van de (lange) omweg

Leerdienst Tora en Evangelie

Besjalach II | Exodus 13:17 – 17:16

27 jan 2013 / 16 Sjewat 5773

 

Schriftlezingen uit de Heilige Schrift in de Naardens vertaling

 

In het Nieuwe Testament Lucas 2: 36-38

36 Er is ook een profetes geweest, Hanna, dochter van Fanoeël, uit de stam van Aser. Zij is in levensdagen ver gekomen: na haar meisjestijd heeft zij zeven jaren geleefd met een man 37 en is nu weduwe, zo’n vierentachtig jaren. Zij is nooit weggeweest uit het heiligdom, met vastentijden en  smeekbeden er vererend nacht en dag. 38 Dit eigen uur treedt zij naderbij.
Zij dankt God en spreekt van hem tot allen die op Jeruzalems verlossing wachten.

 

Romeinen 11: 33-36

33 O diepte van rijkdom en wijsheid en kennis van God!- hoe ondoorgrondelijk zijn zijn oordelen en onnaspeurlijk zijn wegen! 34 Want ‘wie kent het denken van de Heer of wie is zijn raadsman geweest? 35 Of wie heeft hem ooit iets gegeven dat hem teruggegeven zou moeten worden?’-
(Jes. 40,13; Job 41,3) 36 omdat uit hem en door hem en tot hem
alle dingen zijn! Aan hem zij de glorie tot in de eeuwigheden. Amen.

 

Tenach, Exodus 13: 17-22

17 Toen de farao het volk had laten vertrekken, leidde God hen niet langs de weg die door het gebied van de Filistijnen loopt, ook al was dat de kortste route. God dacht namelijk: Als ze strijd zouden moeten leveren, konden ze wel eens spijt krijgen en teruggaan naar Egypte. 18 Daarom liet hij het volk een omweg maken en door de woestijn naar de Rietzee trekken. De Israëlieten waren als een geordend leger uit Egypte weggetrokken. 19 Mozes had het lichaam van Jozef meegenomen, omdat Jozef de Israëlieten plechtig had laten zweren dat te zullen doen. ‘God zal zich jullie lot aantrekken,’ had hij gezegd, ‘en dan moeten jullie mijn lichaam van hier met je meenemen.’ 20 Nadat ze Sukkot hadden verlaten, sloegen ze hun kamp op in Etam, aan de rand van de woestijn. 21 De HEER ging voor hen uit om hun de weg te wijzen, overdag in een wolkkolom, ’s nachts in een lichtende vuurzuil. Zo konden ze dag en nacht verder trekken. 22 Overdag ging de wolkkolom het volk voortdurend voor, en ’s nachts de vuurzuil.