Lezingen uit de Heilige Schrift,
NT: Johannes 15:12-17; Filemon 1:10-17 in de vertaling van NBV
Johannes 15: 12-17
12Mijn gebod is dat jullie elkaar liefhebben zoals ik jullie heb liefgehad. 13Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden. 14Jullie zijn mijn vrienden wanneer je doet wat ik zeg. 15Ik noem jullie geen slaven meer, want een slaaf weet niet wat zijn meester doet; vrienden noem ik jullie, omdat ik alles wat ik van de Vader heb gehoord, aan jullie bekendgemaakt heb. 16Jullie hebben niet mij uitgekozen, maar ik jullie, en ik heb jullie opgedragen om op weg te gaan en vrucht te dragen, blijvende vrucht. Wat je de Vader in mijn naam vraagt, zal hij je geven. 17Dit draag ik jullie op: heb elkaar lief.
Filemon 1: 10-17
Ik zou u om een gunst willen vragen voor Onesimus, die tijdens mijn gevangenschap mijn kind is geworden. 11Hij was u destijds niet van nut; nu kan hij echter niet alleen mij, maar ook u goede diensten bewijzen. 12Ik stuur hem naar u terug, hoewel hij me na aan het hart ligt 13en ik hem graag bij me gehouden had. Dan had hij namens u voor mij kunnen zorgen nu ik omwille van het evangelie gevangenzit. 14Maar ik heb zonder uw medeweten niets willen ondernemen, want u moet mij niet een gunst verlenen omdat ik u onder druk zet, maar omdat u het zelf wilt. 15Misschien hebt u hem korte tijd moeten missen om hem voor altijd terug te krijgen, 16niet meer als een slaaf, maar als veel meer dan dat, als een geliefde broeder. Voor mij is hij dat al, hoeveel te meer moet hij het dus voor u zijn, zowel in het dagelijks leven als in het geloof in de Heer. 17Dus, als u met mij verbonden bent, ontvang hem dan zoals u mij zou ontvangen.
Uit Tenach, Exodus 21: 1-11 uit de sidra Misjpatiem in de Naardense vertaling
1 Dit zijn de namen van de zonen van Israël die samen met hem, Jakob, naar Egypte waren gekomen, ieder met zijn gezin: 2 Ruben, Simeon, Levi, Juda, 3 Issachar, Zebulon, Benjamin, 4 Dan, Naftali, Gad en Aser. 5 Jozef was al langer in Egypte. In totaal waren daar toen zeventig personen die rechtstreeks van Jakob afstamden. 6 Jozef en zijn broers en al hun generatiegenoten stierven, 7 maar hun nakomelingen kregen veel kinderen en zo breidden de Israëlieten zich steeds meer uit. Ze werden zo talrijk dat ze het hele land bevolkten. 8 Er kwam in Egypte een nieuwe koning aan de macht, die Jozef niet gekend had. 9 Hij zei tegen zijn volk: ‘De Israëlieten zijn te sterk voor ons en te talrijk. 10Laten we verstandig handelen en voorkomen dat dit volk nog groter wordt. Want stel dat er oorlog uitbreekt en zij zich aansluiten bij onze vijanden, de strijd tegen ons aanbinden en uit het land wegtrekken!’ 11Er werden slavendrijvers aangesteld die de Israëlieten tot zware arbeid dwongen. Ze moesten voor de farao de voorraadsteden Pitom en Raämses bouwen.