FG 1 Corinthiërs 15: 26 | Laatste vijand de dood | herdenking bevrijding | 05-05-1974

 Schriftlezing 1 Corinthiërs 15: 19-28 

FG 1 Corinthiërs 15: 26 | Laatste vijand de dood | herdenking bevrijding | 05-05-1974

19 Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen. 20 Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn. 21 Want dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een Mens. 22 Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden. 23 Maar een iegelijk in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst. 24 Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht. 25 Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. 26 De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood. 27 Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Doch wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft. 28 En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.

Ter voorbereiding op de prediking zingt de Gemeente Gezang 302

  • 1 Wilt heden nu treden voor God, den Here, Hem boven al loven van harte zeer, en maken groot zijns lieven namens ere, die daar nu onzen vijand slaat terneer!
  • 2 Ter eren ons Heren wilt al uw dagen dit wonder bijzonder gedenken toch. maakt u, o mens, voor God steeds wel te dragen, doet ieder recht en wacht u voor bedrog.
  • 3 Bidt, waket en maket, dat g’ in bekoring en ‘t kwade met schade toch niet en valt. Uw vroomheid brengt den vijand tot verstoring, al waar’ zijn rijk nog eens zo sterk bewald!

In antwoord op de prediking zingt de Gemeente Psalm 98: 2 Hij heeft gedacht aan Zijn genade, Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt; Dit slaan al ‘s aardrijks einden gade, Nu onze God Zijn heil ons schenkt. Juich dan den HEER met blijde galmen, Gij ganse wereld, juich van vreugd; Zing vrolijk in verheven psalmen Het heil, dat d’ aard’ in ‘t rond verheugt.