Schriftlezing: Job 1: 6-12
6 Het gebeurde op een dag, toen de zonen van God kwamen om hun opwachting te maken bij de HEERE, dat ook de satan in hun midden kwam. 7. Toen zei de HEERE tegen de satan: Waar komt u vandaan? En de satan antwoordde de HEERE en zei: Van het rondtrekken over de aarde en van het rondwandelen erover. 8. De HEERE zei tegen de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn dienaar Job? Want er is niemand op de aarde zoals hij, een vroom en oprecht man, hij is godvrezend en keert zich af van het kwaad. 9. Toen antwoordde de satan de HEERE en zei: Is het zonder reden dat Job God vreest? 10. Hebt Ú niet voor hem en voor zijn huis en alles wat hij heeft, een beschutting gemaakt? Het werk van zijn handen hebt U gezegend en zijn vee breidt zich steeds verder uit in het land. 11. Maar steek toch Uw hand uit en tref alles wat hij heeft. Voorwaar, hij zal U in Uw aangezicht vaarwel zeggen. 12. De HEERE zei tegen de satan: Zie, alles wat hij heeft, is in uw hand; alleen naar hemzelf mag u uw hand niet uitsteken. En de satan ging weg van het aangezicht van de HEERE..
Het tekst gedeelte voor de prediking is genomen uit Job 42: 10 En de HEERE wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden; en de HEERE vermeerderde al hetgeen Job gehad had tot dubbel zoveel.
Na de geboden is gezongen Psalm 130: 2 Uit diepten van ellenden Roep ik, met mond en hart, Tot U, die heil kunt zenden; O Heer’, aanschouw mijn smart; Wil naar mijn smeekstem horen; Merk op mijn jammerklacht; Verleen mij gunstig’ oren, Daar ‘k in mijn druk versmacht.
Gezang 212 klonk in zijn geheel voor de preek, vers 3 en 4 zijn nog te horen
- 1 O grote God, o goede Heer, ik val voor uwe voeten neer, en roepe tot U nacht en dag, want zonder U ik niets vermag. Verhoor en geef mij mijn begeert’ door die mij ‘t bidden heeft geleerd.
- 2 Ik ben een schaapken, dat daar is verbijsterd in de wildernis. Ik ben een penning, weggeraakt, een zoon, die schulden heeft gemaakt. O Vader, zoek mij wederom, opdat ik blijv’ uw eigendom.
- 3 Bewaar mij, dat uw heilig woord niet zij van mij vergeefs gehoord, of valle op een harde grond, of van de dorens zij doorwond, of van de vogels in de lucht belet te dragen goede vrucht.
- 4 Verhoor, o Vader, mijn geween; waar ‘k bid om brood, geeft Gij geen steen! Ik zoeke, laat mij vinden. Och, ik kloppe, doe mij open toch! Laat mij door U behouden ‘t veld, en red mij uit het aards geweld.
Na de preek en het dankgebed klinkt de slotpsalm, Psalm 139: 14 Doorgrond m’ en ken mijn hart, o Heer’; Is ‘t geen ik denk niet tot Uw eer? Beproef m’ en zie of mijn gemoed Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed’, En doe mij toch met vaste schreden Den weg ter zaligheid betreden.