Genesis 18: 1-15 | Opstanding der doden

Leerdienst Tora en Evangelie

Sidra Wajerá | Genesis 18:1-22:24

19 Chesjwan 5773 / 4 november

 

Schriftlezing:

 

Romeinen 4: 1-3

Wat zullen wij dan zeggen dat Abraham, onze vader, wat het vlees betreft verkregen heeft? 2. Immers, als Abraham uit werken gerechtvaardigd is, heeft hij iets om zich op te beroemen, maar niet bij God. 3. Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem tot gerechtigheid gerekend.

 

Romeinen 4: 10-12

Hoe is het hem dan toegerekend? Toen hij besneden was of als een onbesnedene? Niet als besnedene, maar als onbesnedene! 11. En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen als een zegel van de gerechtigheid van het geloof dat hij had toen hij nog onbesneden was, opdat hij een vader zou zijn van allen die geloven, hoewel zij onbesneden zijn, opdat ook hun de gerechtigheid toegerekend zou worden; 

 

Romeinen 4: 16-25

Daarom is het uit het geloof, opdat het zou zijn naar genade, met als doel dat de belofte zeker zou zijn voor het hele nageslacht, niet voor dat wat uit de wet alleen is, maar ook voor dat wat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van ons allen, 17. zoals geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gemaakt. Dit was hij tegenover Hem in Wie hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en de dingen die niet zijn, roept alsof zij er waren. 18. En hij heeft tegen alles in gehoopt en geloofd dat hij een vader van vele volken zou worden, overeenkomstig wat gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn. 19. En niet verzwakt in het geloof, heeft hij er niet op gelet dat zijn eigen lichaam reeds verstorven was – hij was ongeveer honderd jaar oud – en dat ook de moederschoot van Sara verstorven was. 20. En hij heeft aan de belofte van God niet getwijfeld door ongeloof, maar werd gesterkt in het geloof, terwijl hij God de eer gaf. 21. Hij was er ten volle van overtuigd dat God ook machtig was te doen wat beloofd was. 22. Daarom ook is het hem tot gerechtigheid gerekend. 23. Nu is het niet alleen ter wille van hem geschreven dat het hem toegerekend is, 24. maar ook ter wille van ons, aan wie het zal worden toegerekend, aan ons namelijk die geloven in Hem Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft, 25. Die om onze overtredingen is overgeleverd, en opgewekt om onze rechtvaardiging.

 

Genesis 18: 1-15

1 Dan laat de Ene zich aan hem zien, bij de godseiken van Mamree,- die wordt gezien, terwijl hij in het heetst van de dag is gezeten in de ingang van de tent. 2 Hij heft zijn ogen op en ziet: ziedaar, drie mannen bij hem geposteerd; hij ziet dat, snelt vanuit de ingang van de tent hen tegemoet en buigt zich ter aarde. 3 Hij zegt: mijn heer, áls ik genade heb gevonden in je ogen, ga dan niet voorbij, van bij je dienaar!- 4 laat toch een weinig water worden gehaald en wast uw voeten: leunt neer onder de boom!- 5 ik haal een bete broods: versterkt uw harten!- daarna kunt ge verder trekken, want daarvoor zijt ge bij uw dienaar voorbij getrokken! Zij zeggen: wil zo doen zoals je hebt gesproken! 6 Abraham haast zich op de tent aan, naar Sara,- en zegt: haast je!- drie maten meel, korrelbloem: kneed het, maak broodkoeken! 7 Naar het ploegvee is Abraham gesneld: hij neemt een runderjong,- mals en goed en geeft dat aan de jongen: hij haast zich om het klaar te maken. 8 Hij neemt room en boter én het runderjong dat hij heeft klaargemaakt, en zet dat neer voor hun aanschijn. Terwijl hij bij hen geposteerd blijft onder de boom, eten zij. 9 Dan zeggen ze tot hem: wáár is Sara, je vrouw? Hij zegt: ziedaar, in de tent! 10 Hij zegt: terugkerend keer ik tot jou terug als het de tijd van levenschenken is, en dan is hier een zoon bij Sara, je vrouw! Intussen hoort Sara alles in de open kant van de tent, achter hem. 11 Abraham en Sara zijn oud geworden,op dagen gekomen;opgehouden is het te geschieden aan Sara naar de wijze der vrouwen. 12 Dus lacht Sara in haar binnenste en zegt: nadat ik versleten ben zal mij nog wellust geschieden?- en mijn heer is oud geworden! 13 Dan zegt de Ene tot Abraham: waarom eigenlijk heeft Sara gelachen en gezegd ‘ach zal ik waarachtig baren, ik die zo oud ben geworden?’- 14 is voor de Ene een woord te wonderlijk?- tegen de samenkomsttijd zal ik tot jou terugkeren, als het de tijd van levenschenken is, en dan is er bij Sara een zoon! 15 Sara loochent het en zegt: ‘ik heb niet gelachen!’,want ze is bevreesd geworden; maar hij zegt: nee!- je hebt wél gelachen!