Leerdienst Tora en Evangelie
Sidra Noach | Genesis 6: 9-11: 32
5 Chesjwan 5773 / 21 oktober 2012
Genesis 9: 18-10: 20
Schriftlezingen 1 Tessalonicenzen 4: 1-8 en Genesis 9: 18-10: 20
– NT: 1 Tessalonicenzen 4: 1 Voor het overige dan, broeders-en-zusters, vragen wij en roepen wij u op, in eenheid met de Heer Jezus, dat gij, zoals ge van ons hebt aangenomen hoe ge moet wandelen en God behagen, zoals ge ook wandelt, dat ge dat des te overvloediger doet. 2 Want ge weet welke afkondigingen wij u op gezag van de Heer Jezus hebben gegeven. 3 Want dit is de wil van God: uw heiliging, door u te onthouden van de ontucht, 4 dat een ieder van u zijn eigen ding weet te bezitten in heiliging en eerbaarheid, 5 niet in een hartstocht van verlangen zoals ook ‘de heidenen die van God niet weten’ 6 en door zich niet te buiten te gaan en in het zakendoen zijn broeder te benadelen, omdat de Heer een wreker voor die allen is, zoals wij u eerder ook hebben gezegd en betuigd. 7 Want God heeft ons niet geroepen voor onreinheid maar in heiliging. 8 Wie dan dit verwerpt, verwerpt niet een mens maar de God die ook zijn heilige Geest aan u geeft.
– Tenach Genesis 9: 18 Dit zijn de zonen van Noach die wegtrekken uit de ark: Sem, Cham en Jafet. Cham, hij is de vader van Kanaän. 19 Een drietal zijn zij, de zonen van Noach, en van hen uit is heel de aarde overspreid. 20 Dan maakt Noach als man van de bloedrode grond een begin: hij plant een wijngaard. 21 Hij drinkt van de wijn en wordt dronken; hij ontbloot zich midden in zijn tent. 22 Dan ziet Cham, de vader van Kanaän, de naaktheid van zijn vader aan, en meldt die aan zijn twee broers buiten. 24 Noach wordt wakker uit zijn wijnroes en komt te weten wat zijn jongste zoon aan hem heeft gedaan. 25 En hij zegt: vervloekt is Kanaän!- dienaar van dienaren zal hij zijn voor zijn broeders! 26 En hij zegt: gezegend de Ene, de God van Sem; laat Kanaän dienstknecht wezen voor hem!- uitbreiding geve God aan Jafet,- uitbreiding, wonen moge hij in de tenten van Sem,- en laat Kanaän knecht zijn bij hem! 27 Noach leeft na de vloed driehonderd jaar en vijftig jaar. Zo wordt het geheel van Noachs dagen negenhonderd jaar en vijftig jaar; dan sterft hij.
10: 1 Dit zijn de geboorten uit Noachs zonen, Sem, Cham en Jafet; hun werden na de vloed zonen gebaard. 2 De zonen van Jafet zijn Gomer en Magog, Medië, Javan en Toeval; Mesjech en Tiras. 3 De zonen van Gomer zijn Asjkenaz, Rifat en Togarma. 4 De zonen van Javan: Elisja en Tarsjiesj; Kitiërs en Dodanieten. 5 Van hen uit hebben zich verspreid de eilanden der volkeren in hun verschillende landen, ieder met zijn eigen taal, met hun families, in hun verschillende volkeren. 6 De zonen van Cham zijn Koesj en Egypte, Poet en Kanaän. 7 De zonen van Koesj zijn Seva en Chavila, Savta, Rama en Savtecha; de zonen van Rama: Sjeva en Dedan. 8 Koesj baarde Nimrod; hij is begonnen en geweldenaar te wezen op de aarde. 9 Hij is geweest: geweldig in de jacht, voor het aanschijn van de Ene; daarom wordt er gezegd ‘als Nimrod zó geweldig in de jacht voor het aanschijn van de Ene!’ 10 Hoofdstad van zijn koninkrijk wordt Babel!- met Erech, Akad en Kalnee,- in het land Sjinar. 11 Uit dat land is Asjoer weggetrokken; hij bouwt Ninevee, Rechovot-stad en Kalach; 12 en Resen, tussen Ninevee en Kalach; dat is de grote stad. 13 Egypte heeft gebaard: Loedieten, Anamieten, Lehavieten, Naftoechieten, 14 Patroesieten en Kasloechieten,- van waaruit de Filistijnen zijn voortgekomen, naast de Kaftorieten! 15 Kanaän heeft Tsidon gebaard als zijn eersteling, en Cheet; 16 de Jeboesiet, de Amoriet en de Girgasjiet; 17 de Chiviet, de Arkiet en de Siniet; 18 de Arvadiet, de Tsemariet en de Chamatiet. Later hebben ze zich verspreid, de families van de Kanaäniet. 19 Zo wordt het gebied van de Kanaäniet: van Tsidon als je naar Gerar toe bij Gaza komt; als je aankomt op Sodom en Gomorra aan Adma en Tsevojiem tot bij Lesja. 20 Dit zijn de zonen van Cham naar hun families en hun talen; in hun landen en hun volkeren.