Herwijnen

Markus 5: 21-43 | De blauwe draad

Schriftlezingen Numeri 15: 37-41 en Marcus 5: 21-43 Numeri 15: 37 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: 38 Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Dat zij zich snoertjes maken aan de hoeken hunner klederen, bij hun geslachten; en op de snoertjes des hoeks zullen zij een hemelsblauwen draad zetten. 39 En hij zal ulieden aan de snoertjes zijn, opdat gij het aanziet, en aan al de geboden des HEEREN gedenkt, en die doet;

Psalmen 72: 1-8 | Gerechtigheid verhoogt een volk

Schriftlezingen Psalmen 72: 1-8, Jesaja 32: 1-8 en Mattheüs 3: 13-15 Een dienst ten tijde van de corona pandemie Psalmen 72: 1. O God, geef de koning Uw recht en Uw gerechtigheid aan de zoon van de koning. 2. Dan zal hij over Uw volk rechtspreken met gerechtigheid en over Uw ellendigen met recht. 3. De bergen zullen voor het volk vrede dragen en de heuvels, met gerechtigheid. 4. Hij zal de ellendigen van het volk

Romeinen 2: 12-16 | Vrije genade

Schriftlezing Romeinen 2: 12-16 Romeinen 2: 12 Want zij die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan, en zij die onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden. 13 Niet de hoorders van de wet zijn immers rechtvaardig voor God, maar de daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden. 14 Want wanneer heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet zegt, zijn zij, hoewel zij

Jesaja 41: 1-14 | Wees niet verbaasd

Schriftlezingen Jesaja 41: 1-14 en Lucas 5: 1-11 Jesaja 41: 1 Zwijgt voor Mij, gij eilanden! en laat de volken de kracht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen ten gerichte naderen. 2 Wie heeft van den opgang dien rechtvaardige verwekt? heeft hem geroepen op zijn voet? de heidenen voor zijn aangezicht gegeven, en gemaakt, dat hij over koningen heerste? heeft ze zijn zwaard gegeven als stof, zijn boog als een

Jacobus 4: 7a | Gehuwd

Schriftlezing Jacobus 4 Jacobus 4: 1 Van waar komen krijgen en vechterijen onder u? Komen zij niet hiervan, namelijk uit uw wellusten, die in uw leden strijd voeren? 2 Gij begeert, en hebt niet; gij benijdt en ijvert naar dingen, en kunt ze niet verkrijgen; gij vecht en voert krijg, doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt. 3 Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw wellusten